Onlangs

“Wordt wakker, het zonnetje is al op, de bloempjes staan al in de knop, de haan kraait voor de eerste keer, “t is lente, lente lenteweer, wordt wakker, wordt wak…ker!!! Onlangs werd de oude ietwat verstrooide kapitein weer eens gesignaleerd, aangeschoven zat hij diep peinzend en turend naar zijn kaarten aan de kaarttafel. Lange tijd is hij als het ware ondergedoken geweest en lijkt het wel alsof hij uit het niets weer opduikt.

Eigenlijk een soort hoefgetrappel in de mist. Niet “to the point”. Ook de kaartclub had nooit goed kunnen besluiten welk van de twee kaf nu eigenlijk het gezelligst was. Jacob de kruidenier helde over tot café “De Kapiteinshut”, omdat daar een balkenzoldering was. Het gaf hem een gevoel in een kajuit te zijn, een roefje, een kombuis. Jacob was vrijgezel en had die hang naar knusheid, die uit gemis geboren wordt. Dikke Bertus, de rentenier, gaf aan café “De Eenhoorn” de voorkeur. Het was er ruimer, zei hij, je wist tenminste waar je met je benen moest blijven. Bovendien werd je er niet met je borrels belazerd. Je kreeg wat je toe kwam en er werd tot de rand van het glas geschonken. Dikke Bertus houdt van een glaasje. Hij had er een groot en rood hoofd van gekregen en hij hijgde als hij de trap opging. “Kalm aan”, had dokter Buiswater gezegd, “Je kunt nog jaren mee, maar een pijp is beter dan een sigaar. En ook een glaasje minder.”

Bertus zag de deugdelijkheid van dit advies in. Eenmaal had hij zelfs het voornemen gemaakt er morgen aan te beginnen. Zo was dikke Bertus. De kapitein en Rooie Krelis, die door velen voor dorpsgekken werden versleten, maar die in werkelijkheid uitzonderlijk hoogbegaafd bleken te zijn vormden de middenpartij. De kapitein uit gemakzucht en rooie Krelis uit besluiteloosheid. Soms neigden ze tot De Eenhoorn, dan weer gaven zij De Kapiteinshut het voordeel van de twijfel.

En gaandeweg was de gewoonte ontstaan om de ene avond in het eerste bijeen te komen en de volgende in het tweede. De kapitein, die wat bruusk van aard was, kon het overigens niets schelen. Als je maar goed zat. Rooie Krelis bleef twijfelen. ’s Nachts in bed overwoog hij soms de argumenten van beide partijen. In elk van de twee standpunten stak iets, begreep hij. Hij wilde er nog eens goed over nadenken Krelis dacht veel na, ofschoon hij kunstenaar was. Soms dacht hij: “Als ik nu eens ophield met het kliederen van molens en maffe vliegtuigen en met hart en ziel iets ging maken. Iets groots.” Hij glimlachte vaak bij die gedachte. Hij was vast van plan dat ooit eens te doen, op “n keer, ergens.

Onlangs op een avond zaten de vier vrienden in de Kapiteinshut bijeen. De tweede robber was zojuist begonnen. Het had halftien geslagen. Het uur noodde tot overpeinzing. “Soms”, zei Jaap, zijn kaarten schikkend en ondertussen naar de wind luisterend, “denk ik wel eens: wat maak je van je leven? De jaren vliegen voorbij en er gebeurt niets. Twee ruiten.” “Pas”, zei Rooie Krelis. “Twee harten”, bromde de kapitein. Dikke Bertus keek over zijn halve bril van zeven gulden vijftig, gekocht bij de brillenwinkel naast keurslager Groot van de Savorin Lohmanstraat te Zaandam, die overigens weer de hartelijke groeten doet aan zijn collegae in Hoorn en omstreken. Enfin, Bertus keek dus over zijn bril heen in het waaiertje kaarten. “Zo heb ik altijd een reis naar Zuid-Afrika willen maken”, zei hij. “Geen borrels onderweg, alleen af en toe een pijp. En maar fiks uitkijken. Iets opsteken. Ik heb de route nog thuis liggen. Italië’, Caïro, Kenia en dan over Ivoorkust weer terug. Een allemachtig mooi traject. Ik dubbel.” ” Ik ga ree…” zei Jacob onmiddellijk, “Bertus komt uit. Een ogenblik.” Hij legde zijn kaarten, met de achterkant naar boven op tafel en vervolgde: “Is het niet vreemd? Je bent altijd iets van plan om te doen. En je doet het nooit. Soms krijg ik het er benauwd van.

We kaarten en we kaarten en je denkt wel eens: gebeurde er maar iets. Maar ik zou bij God niet weten wat”. “Een opdonder”, zei de kapitein. “Een wat?” vroeg Jaap. “Een opdonder,” herhaalde de kapitein, “we leven te gemakkelijk. Wat een mens nodig heeft is een opdonder. Iets waar je wakker van schrikt. Harten is troef. Bertus komt uit” Maar Dikke Bertus lag met zijn hoofd achterover tegen de stoelleuning. Zijn ogen waren gesloten, zijn rechterhand rustte gebald op zijn kaarten. “Slaapkop,” zei de kapitein, “je moet uitkomen.” Maar Bertus kon niet. Hij was al uit. Hij was dood. Toen dokter Buiswater zijn onderzoek had beëindigd, richtte hij zich weer op en zag de drie overgeblevenen in een hoek staan. “De familie is gewaarschuwd,” zei hij, ÒU kunt naar huis gaan.”

Kijk, zo is dokter Buiswater. “Als de heren het goed vinden ga ik met ze mee.” Het viertal trok de jassen aan en liep de warme lentenacht in. Er werd niet gesproken. Bij café “de Eenhoorn” zagen zij het licht door de kieren van het luik. “Hoe laat is het?” vroeg Buiswater, terwijl hij bleef staan. “Halfelf,” zei de kapitein. Allen zwegen. “Zullen we?” opperde Jaap aarzelend. “Vind je,” vroeg de kapitein, “dat het pas geeft?” “Pas, pas” bromde Rooie Krelis, “Ik ga zo niet naar bed. ’t Zit me nog in de benen.” Ze gingen naar binnen. Het was er rokerig en er hing een gezellige sfeer. Buiswater deelde de kaarten. “Drie harten”, zei hij. “Pas,” antwoordde de Kapitein. “Pas,” zei Jaap. Rooie Krelis vatte zijn Hankey Bannister whisky en wipte hem achterover in zijn keelgat. “Verdomd,” zei hij, “was me dat even wat. Ik pas.”

Beste lezers… Onlangs hoorde ik een lied:

“Altijd maar thuis, dat gehang voor de buis. Je kaart met z’n vier. Het bruist van vertier. Uit goed voor u, kom er eens uit. Wat kost dat nu? Mens durf te leven, dat geldt ook voor u!”

En zo is het: voor je het weet is het te laat.

 

Schip ahoy!!


 

Scroll naar boven