Voorwoord
Als kleine jongen volgde ik elke woensdagmiddag trouw de opvoedkundig geheel verantwoorde jeugdserie "Varen is fijner dan je denkt ". In mijn korte broek meldde ik mij met mijn vriendjes bij de sympathieke echtgenote van puddingfabrikant Onrust, waar wij met zijn allen in de voorkamer met gekruiste knietjes op het tapijt voor de zwart-wit televisie mochten zitten. Dapper zwaaiden we naar Tante Hannie, de omroepster, die even dapper terug zwaaide. Zo raakte ik voor het eerst in de ban van de zee. Mijn helden beleefden vrolijke avonturen. Niks geen gruwelijke zeeziekte. Niks geen drankgelagen in duistere kroegen. Niks geen schatje in elk ander stadje. Varen speelde zich af in een vriendelijke wereld vol zeelieden, die altijd veilig en ongehavend bij moeder thuis kwamen. Teleurgesteld was ik geenszins, toen ik er later achterkwam hoe anders het allemaal was dan Tante Hannie en haar opvoeders ons vanuit Hilversum voorspiegelden. Die ruige werkelijkheid, dat rauwe zeemansleven, de eenzame dagen op de woeste baren en de voortdurende hunkering naar de zachte crapeau, de pantoffels en het gestopte pijpje bij de snorrende open haard thuis: het druipt allemaal uit de verhalen van Cees Stolp, die nog niet eens in de wieg lag, toen ik al van" Varen is fijner dan je denkt " zat te genieten. Het werd hoogtijd, dat zijn berichten, die vanaf het roestige motorschip Zaandam, wekelijks door Radio Hoorn de ether in geslingerd worden, voor eeuwig zijn vastgelegd. Al was het maar om de laatste goedgelovige kindertjes uit het Tante Hannie-tijdperk voor goed de ogen te openen.
RON COUWENHOVEN 1 augustus 1997, Zaandam.
|