De Nachtvorst

 

Frostland, 12 december

Hotel "De Witte Walvis"

 

Beste Meid,

Ik heb je telegram ontvangen en ik kan je nauwelijks uitleggen hoe blij ik hiermee ben. Wat prachtig dat het weer een boy is. En zo'n bolle dikkerd, want die 12 1/2 pond zal toch wel geen foutje van de telegraaf zijn? De naam Jonas vind ik, ook al hebben we daar geen ruggespraak over gehad, okay. Grappig is dat ik toevallig deze brief schrijf vanuit Hotel "De Witte Walvis". Het enige hotel in Winterking in Frostland. Ik vind het geweldig dat het weer een jongen is, al moet ik wel even aan wennen aan de kleur van Jonas. Zou het kunnen zijn dat een van onze voorvaderen slavenbloed in zijn aderen heeft gehad? Die discussie wil ik nu even niet aangaan, omdat ik aan boord steeds gedacht had dat het een meisje zou worden en dat zou dan Leentje heten, omdat ik het zo jammer vond dat we anders niets hadden om onze kinderen aan moeder te herinneren, die toch zo’n goed mens was. Veel heb ik stil gestaan bij het verlies van onze oudste, die vandaag jarig was geweest. Maar meid ons schip vaart nu eenmaal verder.

Je zult wel verbaasd zijn, zo’n lange brief van mij te krijgen, maar als je mijn telegram hebt gekregen zal het je wel duidelijk zijn; er is zoveel gebeurd en op het ogenblik gebeurd er niet veel. Wat met een nachtvorstje begon dreigt een totale overwintering te worden. Gelukkig hebben we genoeg vlees aan boord van Keurslager Groot van de Savornin Lohmanstraat, die, om er zeker van te zijn dat zijn vlees optimaal wordt geconsumeerd, is meegereisd en naast me zit. Hij groet overigens alle keurslagers in Hoorn en omstreken".

Het feit dat ik mijn heil moest zoeken in het havenstadje Winterking in Frostland kwam omdat wij om reden van een gebroken roerstang op een gigantische onderwaterliggende, ijsschots waren gevaren. Met windkracht 8, snerpende gure ijskoude wind konden wij Ms Zaandam niet meer in bedwang houden, met de haven in zicht notabene. De weinige inwoners van Winterking zaten net aan de Hankey Bannister whisky in het kleine en enige café aan de haven. Met hulp van de door verveling zwaar aan de drank geraakte mensen zijn wij binnengevaren. Na twee weken reparatie aan het schip wilden wij weer uitvaren. Intussen hadden wij onze intrek genomen in Hotel "De Witte Walvis". Daar werden we lekker warm gehouden door schone lakens en dekens en door de plaatselijke dames die als bijen op de honing afkwamen en met de stoere Hollanders met hun strakke zeehuiden, ter afwisseling van de lokale zuiplappen, hun hormonale huishouding wel eens wilden ordenen.

 De avond ervoor hadden we alles in gereedheid gebracht. Het begon weer lichtelijk te vriezen. Janus de Meeuw, zoals wij onze weerkundige aan boord noemden, had al voorspeld dat de weergaloze en weerzinwekkende en alles vernietigende Nachtvorst, Koning Winter, geen genade kent. Janus had "s nacht al gedroomd dat Koning Winter aan zijn deur klopte. Hij had de Kapitein niet

wakker willen maken, omdat die oude reus, tijdens het Captainsdinner in de kapiteinshut te diep in het glaasje had gekeken. De raasdonders, ook wel bramstaglopers genoemd, waren hem niet goed bekomen. Misschien kwam dat wel, omdat hij een voorgevoel had dat hij de volgende dag toch niet weg zou gaan. Het water rond het schip was na het nachtvorstje dusdanig verdikt dat er nu al geen doorkomen aan was. Hij had het al gezien aan de bevroren klep van de Broek van Bertha, de luchtkoker die dient ter verfrissing van het onderdek. Hij was al dadelijk niet gerust en zijn voorgevoel kwam uit.

De Nachtvorst, Koning Winter, sloeg genadeloos toe. De plaatselijke bevolking had de haven inmiddels omgetoverd tot een waar schaatsparadijs, en een Hollander zou geen Hollander zijn om daar geen graantje van mee te pikken. De Koek-en-zopietent aan boord deed goede zaken. En u begrijpt het natuurlijk al: de worst van de nu al bekende slager, waarvan ik de naam niet meer zal noemen, had grote aftrek, met name bij de door onze manschappen ontdooide dames van de plaatselijke parlevinker. Deze laatstgenoemde heeft dit inmiddels, gezien de grote winstmarges, in zijn assortiment opgenomen.

Zo maakten we van de nood een deugd en zo kwam het ook dat ik de tijd had om mijn trouwe geliefde een lange brief te schrijven, ware het niet dat ik deze niet kon verzenden om reden dat Koning Winter dit belette. Trouwens, ik kan toch nooit een goed einde aan mijn brieven maken, dus wat dat betreft was er geen man overboord. Ook dit verhaal is moeilijk af te sluiten en daarom nog het volgende:

Aan de Truusjes, de Keesjes, de Gerdaatjes en de Henkies, die zo weinig hun vaders te zien krijgen, omdat die altijd maar weer op die lange deiningen vertoeven, ergens aan de andere kant van de aardkloot. Er zijn ontiegelijk veel van die kinderen, die niet eens weten of de man, die altijd voor Sinterklaas speelt en kadootjes meebracht en zulke harde wangen had om te zoenen, nog leeft en waar hij uithangt op de wereld.

"Hou je taai jongens. Wat er ook gebeurt en wat de buurvrouw ook mag kletsen; papa komt altijd weerom! Is het vannacht niet, dan morgen wel. Hij komt weerom al zou hij moeten zwemmen, want zonder jullie heeft ons leven van stoere zeeman geen stevigte meer".

 

Ship Ahoy!!

Klik hier voor originele vertelling op Radio Hoorn